Weeshuis

Gabrielle Petit, Belgische spionne en verzetsheldinGabrielle Alina Eugenia Maria Petit is geboren op 20 februari 1893 in Doornik, aan de Quai du Luchet d’Antoing 20, aan de rechter Scheldeoever in de richting van Antoing. Ze is vijf jaar wanneer het gezin verhuist naar Ath, naar een kleurloos huis op de hoek van de rue du Pont-Carnail en de rue des Ecriniers. Gabrielle kent een liefdeloze, onstabiele jeugd. Haar ouders maken veel ruzie en gaan uit elkaar. Vader, een handelsvertegenwoordiger, is van goede afkomst maar hij is een fantast die regelmatig failliet gaat. Hij zoekt verstrooiing in louche Brusselse cafés. Moeder sterft in 1902 aan tuberculose, 33 jaar oud. Na haar dood worden Gabrielle en haar zus Hélène achtergelaten in een katholiek weeshuis, het instituut Sainte-Julie in Bergen. In 1903 moeten ze naar een ander weeshuis, Sainte-Gertrude in Brugelette, 25 km ten noorden van Bergen. Zes jaar blijft Gabrielle daar. Ze krijgt er onderwijs en leert goed maar haalt vaak streken uit ten koste van de nonnen.

De kinderen groeien op zonder nestwarmte. Ze krijgen geen bezoek en gaan in de vakanties niet eens naar huis, want vaders nieuwe vrouw weet niet van hun bestaan af. Volgens de nonnen is Gabrielle levendig en intelligent maar ook een bazige opschepper met een grote mond. Haar karakter zit vol tegenstrijdigheden. Ze maakt vaak ruzie, al is ze zelf kwetsbaar. Tijdgenoten beschrijven haar als tegendraads, arrogant en theatraal maar ook aanhankelijk en hartelijk. Volgens een biograaf heeft Gabrielle manisch-depressieve trekken. Er bestaan twee schriftjes uit 1930, waarin een non uit het weeshuis exact de getuigenissen opschreef van al wie “Gaby” van nabij kende. Gabrielles halfzus, Marthe, kloosterzuster bij de Dames Hospitalières du Sacré-Coeur in Sint-Agatha-Berchem, bleek eveneens een interessante getuige.

In 1908 moet Gabrielle na een aantal fratsen haar studie aan de Normaalschool in Brugelette afbreken. Ze gaat inwonen bij haar vader en zijn tweede vrouw in Mechelen waar die een zaak uitbaten. Het klikt niet met haar stiefmoeder en Gabrielle slaat de huisdeur achter zich dicht. Ze trekt naar Brussel, nauwelijks zestien jaar. Ze krijgt eventjes onderdak bij tante Hélène Segard maar gaat snel alleen wonen. In het Brusselse uitgaansleven zet ze de bloemetjes buiten en leeft van allerlei losse baantjes als kindermeid, naaister, winkeljuffrouw. Een aantal twijfelachtige relaties doen haar reputatie geen goed. Op haar zolderkamertje in Molenbeek voelt ze zich onbeduidend en minderwaardig. Na alweer een gebroken relatie onderneemt ze in 1911 een zelfmoordpoging. Dit blijkt haar redding want haar buren, het gezin Collet-Sauvage, ontfermen zich nu over haar. De Collets zullen later haar spionageactiviteiten steunen. In een café aan het Zuidstation waar Gabrielle als dienster werkt, maakt ze eind maart 1912 kennis met haar grote liefde, Maurice Gobert, een beroepsmilitair. Het komt tot een verloving.

Spionne tegen beter weten in

Wanneer de Duitsers op 4 augustus 1914 België binnenvallen moet Maurice naar het front. Gabrielle meldt zich als vrijwilligster bij het Rode Kruis. De Duitsers hebben Brussel moeiteloos ingenomen en de bezetting laat zich voelen in de hoofdstad. Gabrielle is razend, haar patriottisme krijgt vorm. Op 25 augustus 1914 raakt haar verloofde gekwetst aan de benen. Gabrielle bezoekt hem in het Sint-Elisabethziekenhuis en logeert daarna een tijdje bij haar toekomstige schoonouders in de buurt van Charleroi, maar ze valt er niet in de smaak. Te zelfstandig, te geëmancipeerd. Tussen december 1914 en maart 1915 verdwijnt Gabrielle van de radar. Maurice Gobert wil terug naar zijn eenheid via Nederland en duikt eind mei 1915 op in Brussel om een ontsnappingsnetwerk te contacteren. Het gaat stroef tussen Gabrielle en Maurice, die zijn verloofde ervan verdenkt hem in een hinderlaag te willen lokken. In werkelijkheid zit zijn zus Nelly achter de schermen te stoken. De plannen om samen naar Nederland te vluchten via een ontsnappingsroute worden opgeborgen. Maurice vertrekt zonder haar.

De Duitsers vallen binnen bij de Goberts en Nelly verklapt hen Gabrielles adres. Gabrielle wordt op 10 juli 1915 thuis opgepakt, maar ze vinden geen bewijzen tegen haar en op 12 juli komt ze vrij. Ze verdwijnt prompt naar Nederland om in de buurt van Maurice te zijn en dienst te nemen als vrijwillige hulpverpleegster. Maar haar plannen blijken plots gewijzigd. Op 20 juli duikt ze op in Vlissingen, een bolwerk van de Britse spionage, vanwaar ze op 22 juli naar Engeland afvaart en op 24 juli in Folkestone aankomt. In Folkestone schrijft ze aan Maurice dat ze niet naar hem toekomt omdat er ’iets tussengekomen is, maar dat ze gescheiden zullen zijn door dezelfde zaak’.

“Ik ben niet langer waardeloos”

Gabrielle Petit op de cover van het weekblad L’Événement Illustré van 7 juni 1919, met als onderschrift: ‘La reconnaissance de la patrie envers Gabrielle Petit ne sera jamais trop grande’Het is mogelijk dat Gabrielle Petit al in het voorjaar van 1915, alleen in Brussel, iemand van de Britse spionagedienst tegen het lijf gelopen is en in spionagewerk een mogelijkheid ziet om maatschappelijk iets te betekenen. Dank zij haar oorlogsengagement waar ze zich met hart en ziel in gooit, verwerft ze waardigheid en sociale status, iets waar ze zo’n behoefte aan heeft. "Ik ben niet langer waardeloos", schrijft ze nadat het Britse leger haar in dienst heeft genomen.

Men stuurt haar naar Londen voor een blitzopleiding spoorwegspionage bij luitenant Ide, een Brusselaar. Op 2 augustus 1915 legt ze examen af, op 3 augustus verlaat ze Londen en op 10 augustus krijgt ze in Vlissingen haar actieterrein toegewezen : Brussel, het westelijke deel van België en Noord-Frankrijk. Op 17 augustus, twee dagen na de arrestatie van Edith Cavell, start Gabrielle haar spionagewerk onder het pseudoniem Hélène Legrand. Ze noteert nauwkeurig alle details van de Duitse troepenbewegingen via het spoor. Ze opereert vanuit haar kamer bij de Brusselse familie Collet of haar tweede adres in de Schouwburgstraat. Voor Noord-Frankrijk werkt ze samen met de groep van Louise de Bettignies. Haar rapporten schrijft ze op sigarettenblaadjes die ze in haar kleren verstopt.

Gabrielle Petit getuigt hier van een ongelooflijke lef. Zes maanden lang trekt ze rond door bezet gebied tot vlakbij de vijandelijke linies, observeert minutieus en rapporteert heel professioneel aan de Britse Geheime Dienst. Ze verandert regelmatig van vermomming: kindermeisje, lintenverkoopster, krantenventer, zelfs als Duits officier, met een valse militaire pas op naam van ‘Walter Henning’. Haar appartement in de Brusselse Schouwburgstraat is zelfs ingericht als liefdesnest voor ‘Walter Henning’ en zijn minnares. Dertien keer smokkelt ze gestrande soldaten en oorlogsvrijwilligers over de grens naar Nederland. Daarnaast werkte ze mee aan de verspreiding van het clandestiene blad “La libre Belgique” en aan de geheime postdienst “Le Mot du Soldat”. Maar sinds geruime tijd houdt de Duitse contraspionage haar in de gaten.

“Ik vraag geen genade”

Ze levert in zes maanden tijd een vijftigtal rapporten af die bijzonder waardevol blijken voor de geallieerde troepen, tot ze op 20 januari 1916 in een hinderlaag trapt. Een Duitser die vloeiend Nederlands spreekt doet zich voor als iemand van Le Mot du Soldat. Hij levert haar valse info, die bij haar arrestatie ‘s avonds op haar gevonden wordt. Op 2 februari 1916 wordt ze opgesloten in de gevangenis van Sint-Gillis. Daar wordt ze hard en lang ondervraagd maar ze verklikt niemand. Onverzettelijk houdt ze voet bij stuk en legt doelbewust elke kans op genade naast zich neer. Op 3 maart 1916 komt haar proces voor : ter dood veroordeeld voor "krijgsverraad bestaande uit verspieding". In haar cel schrijft ze op de muur: "Ik vraag geen genade, om de mof te laten zien dat ik mijn voeten aan hem veeg." Op 1 april 1916 staat ze zonder blinddoek voor het vuurpeloton op de Nationale Schietbaan van Schaarbeek. Op 2 april 1916 meldt een Duitse affiche de terechtstelling van “verkoopster Gabrielle Petit om haar rijkelijk betaalde spionagediensten”. Veel publieke reactie komt er niet.

Posthume erkenning

Standbeeld Gabrielle Petit met op het voetstuk de tekst :  Je viens d' être condamnée à mort ; je serai fusillée demain ; vive le roi ! vive la Belgique ! en "... et je leur montrerai comment une femme belge sait mourir".Pas na het einde van de oorlog krijgt Gabrielle Petit een heldenstatus. In december 1918 organiseert Cyrille Van Overbergh, auteur van ‘Gabrielle Petit: héroïne nationale’, een eerste ceremonie voor de ‘heldin van het Belgische volk’. Op 27 mei 1919 wordt haar lichaam opgegraven en met grote eer herbegraven op het kerkhof van Schaarbeek, in aanwezigheid van Eerste Minister Delacroix, kardinaal Mercier en koningin Elisabeth die het kruis van officier in de Leopoldsorde op haar kist legt.

Haar populariteit groeit snel. Films, toneelstukstukken en gedichten zijn aan haar gewijd, haar cel in Sint-Gillis wordt een bedevaartsoord, haar blouse krijgt een plaats in het Legermuseum aan het Jubelpark. In juli 1923 wordt haar standbeeld op het Brusselse Sint-Jansplein onthuld onder massale publieke belangstelling, met toespraken, vlaggen en een fanfare. Koningin Elisabeth legt een krans aan de voet van het standbeeld. Kunstenaar Egide Rombaux vereeuwigt de jonge heldin als icoon van standvastigheid en passionele vaderlandsliefde. Op het voetstuk de theatrale tekst : "Ik ben ter dood veroordeeld. Ik word morgen terechtgesteld. Leve België. Leve de Koning" en: “… ik zal hen tonen hoe een Belgische vrouw weet te sterven”.

In 2005 wordt Gabrielle Petit in beide landsdelen genomineerd voor de titel van Grootste Belg.

Agenda: Gentse Feesten 25 juli 2015: Lezing van Prof. Dr. Sophie De Schaepdrijver over Gabriëlle Petit

Illustraties

  • Gabrielle Petit, verzetsheldin. Bron foto: Bruxelles Annecdotique
  • Gabrielle Petit op de cover van het weekblad L’Événement Illustré van 7 juni 1919, met als onderschrift: ‘La reconnaissance de la patrie envers Gabrielle Petit ne sera jamais trop grande’. Bron foto: Berichten uit het verleden
  • Standbeeld Gabrielle Petit met op het voetstuk de tekst : Je viens d' être condamnée à mort ; je serai fusillée demain ; vive le roi ! vive la Belgique ! en "... et je leur montrerai comment une femme belge sait mourir". Bron foto:Wikimedia Commons

Aanraders uit de RoSa-bibliotheek

  • Women heroes of World War I: 16 remarkable resisters, soldiers, spies, and medics / Kathryn J. Atwood, 2014 - RoSa ex.nr.: T/1289
  • Gender and the First World War / Christina Hämmerle, Oswald Überegger & Birgitta Bader Zaar, 2014 - RoSa ex.nr.: FII m/0750 - RoSa's boekbespreking
  • Héroïnes de la Grande Guerre / Jean-Marc Binot, 2008 - RoSa ex.nr.: FI m/0215
  • De vrouwen van de Eerste Wereldoorlog / Denise De Weerdt, 1993 - RoSa ex.nr.: FII m/0250
  • Dossier : les femmes belges dans notre histoire / Jo Gérard (e.a.), 1983 - RoSa ex.nr.: FII m/0258

Voor meer lectuur over Gabrielle Petit, zoek in de RoSa-catalogus met als trefwoord Petit Gabrielle

Op het web

Jan van der Fraenen, Voor het Duitse vuurpeloton. Executies in bezet België tijdens de Eerste Wereldoorlog: tussen realiteit en mythe. - pdf. Scriptie voor het behalen van de graad van Licentiaat in de Geschiedenis. Universiteit Gent, Academiejaar 2004-2005. (Hoofdstuk 1.8. Vrouwen - 1.8.1. Slechts tien, p. 105-108)