AK1Nu het klimaat hoog op de agenda staat, kan ook het ecofeminisme op extra aandacht rekenen. Maar wat zijn precies de raakvlakken tussen ecologie en feminisme? Tijd voor een interview met Anneleen Kenis, post-doctoraal onderzoeker van het FWO Vlaanderen en docente Milieu en Maatschappij aan King’s College in Londen. “Beide stromingen wijzen op de gevolgen van de manier waarop de huidige maatschappij georganiseerd is: de fundamentele ongelijkheid, onderdrukking, uitbuiting en exploitatie.”

Anneleen Kenis is helemaal thuis in alles wat met ecologie, politiek en activisme te maken heeft. Daarbij verliest ze het feministisch perspectief niet uit het oog. Ze mengt zich geregeld in het publieke debat over klimaat en ongelijkheid en bracht in 2012 samen met Matthias Lieven het succesvolle boek De mythe van de groene economie nog uit.

“Ecofeministen wijzen er terecht op dat ecologie en de strijd voor gendergelijkheid sterk met elkaar verbonden zijn. Beide proberen zichtbaar te maken wat in het heersende discours onzichtbaar blijft. Beide proberen voorbij de oppervlakkige schijn van alledag te kijken. Je ziet het plastieken wegwerpflesje water dat je net in de supermarkt kocht, maar je ziet niet in welke omstandigheden het gemaakt is, door wie, en welke ecologische ravage daarbij wordt aangericht. Het feminisme focust daarbij op genderongelijkheid, ecologie en op ecologisch destructie. Maar die twee zijn eigenlijk heel diep met mekaar verweven.”

Dat standpunt krijgt nu plots meer aandacht doordat het klimaat alomtegenwoordig is op het publieke forum. Ben je daar blij mee?

Anneleen Kenis: “Het is  uiteraard fantastisch dat het klimaat eindelijk op de nodige aandacht kan rekenen en dat het klimaatbewustzijn een hoge vlucht neemt. Het toont aan dat de geschiedenis in zekere mate ongrijpbaar is. Plotse sprongen die je niet helemaal zag aankomen, zijn mogelijk. Dat geeft hoop. Langs de andere kant kunnen die sprongen natuurlijk in verschillende richtingen gaan. Het is daarom belangrijk om scherp te blijven. Zo zouden even ‘plots’ maatregelen terrein kunnen winnen die helemaal niet zo sociaal of ecologisch zijn, of kan het klimaatprotest ‘plots’ weer gaan liggen zonder dat er veel echt veranderd is.”

“Bovendien gaat de strijd niet enkel over of we klimaatmaatregelen moeten nemen, maar ook over wélke maatregelen we willen en kunnen steunen. Niet elke groene maatregel is een goede maatregel. We moeten dus aandachtig en aanwezig blijven en strijden om het klimaatthema een sociaal gezicht te geven.”

Je maakt er een punt van dat de problemen aangekaart in het klimaat-debat en in het feminisme binnen het kapitalistische bestel op gelijkaardige manier opereren?

Kenis: “Inderdaad. Het kapitalisme is een systeem dat gebaseerd is op uitbuiting en exploitatie, of het nu gaat om de onbetaalde zorgarbeid van vrouwen of de ontginning van grondstoffen uit de natuur. Zonder die onbetaalde arbeid en gratis toe-eigening van de natuur kan het kapitalisme niet functioneren, maar tegelijk slaagt het erin die toe-eigening en de gevolgen ervan onzichtbaar te maken. Dat bemoeilijkt het protest tegen die praktijken. De eerste taak voor zowel het feminisme als de ecologische beweging is dus om dit zichtbaar te maken en het op die manier contesteerbaar te maken.”

Een andere link tussen ecologie en feminisme is volgens jou dat ze ons confronteren met de materiële kant van het menselijk bestaan. Kan je dat toelichten?

Kenis: “Met de materiële kant van het menselijk bestaan bedoel ik dat de mens materie, stof, lichaam is en niet enkel geest of psyche. Dat is iets dat in onze Westerse cultuur doorheen de afgelopen eeuwen steeds meer onzichtbaar is gemaakt, maar nu als een boemerang in ons gezicht terug komt. In die zin is de ecologische crisis een soort van wraak van de natuur. Niet in de letterlijke betekenis natuurlijk, maar wel symbolisch. Datgene dat we probeerden te beheersen, te controleren, weg te duwen, laat zich op onverwachte manier terug voelen.”

“Niet enkel de ecologische crisis gaat over de materiële kant van het menselijk bestaan, ook het feminisme gaat daar voor een groot deel over. Bijvoorbeeld het zichtbaar maken van reproductieve arbeid. Denk maar aan de dagelijkse – materiële - zorg zoals het wassen, voeden, verluieren en verzorgen, die tot op vandaag nog steeds vooral door vrouwen gebeurt, maar nog steeds erg weinig erkend wordt. De link tussen beide is dat de ecologische destructie wordt ervaren via onze lichamen, via de lucht die we inademen, het voedsel dat we eten, het water dat we drinken en de heel fysieke gevolgen van orkanen, overstromingen en andere rampen.”

Die gedachte kan je ook toepassen op andere vormen van sociale ongelijkheid en uitbuiting.

Kenis: “Dat klopt. Je kan het uitbreiden naar klassenverhoudingen, globale Noord-Zuid relaties, post/neo-koloniale verhoudingen of vormen van racisme. Maar voor mij zit dat ingebed in een feministische analyse. Feminisme gaat over de strijd voor de bevrijding van alle vrouwen en dus moeten we ook intersectionaliteit in de analyse inbrengen.”

 

Toch blijven de factoren van ongelijkheid, zoals bijvoorbeeld gender, tot nu toe vaak onderbelicht in klimaatonderzoek, het publieke debat en in strategieën om klimaatverandering tegen te gaan. Wat zijn daar volgens jou de gevolgen van?

Kenis: “Dat heel veel zaken onzichtbaar blijven en dus ook niet aangepakt worden. Studies tonen bijvoorbeeld aan dat sterftecijfers bij klimaatrampen veel hoger liggen voor vrouwen dan voor mannen. Zo waren 61% van de doden door Cycloon Nargis in Myanmar in 2008 vrouwen. Van de tsunamislachtoffers in de Indische Oceaan in 2004 waren zelfs 70 tot 80% vrouwen. En in Bangladesh in 1991 waren niet minder dan 91% van de slachtoffers van de cycloon vrouwen. Een andere studie stelt dat vrouwen en kinderen 14 keer zoveel kans hebben om te sterven bij een ramp. Vrouwen kennen ook hogere sterftecijfers bij hittegolven. Zo lag bij de Franse hittegolf in 2003 het sterftecijfer van vrouwen 75% hoger dan dat van mannen.”

Hoe verklaar je die cijfers?

Kenis: “De redenen hiervoor zijn complex. Enerzijds is het in een patriarchale maatschappij ‘evident’ dat vrouwen het sterkst getroffen worden door ‘natuur’rampen. Men zou zelfs kunnen zeggen dat de definitie van het patriarchaat exact is dat vrouwen het sterkst getroffen worden, omdat mannen hun sociaal-economische en politieke privileges kunnen gebruiken om te ontsnappen aan hachelijke omstandigheden. Of het nu gaat om het feit dat mannen meer toegang blijken te hebben tot waarschuwingssystemen, zoals in het geval van tsunami’s en cyclonen, tot de nefaste gevolgen van armoede, achterstelling en kwetsbaarheid die in het geval van de hittegolf vooral vrouwen de das om bleken te doen. Anderzijds zijn er soms ook biologische factoren die een rol spelen. Zo zou het voor vrouwen moeilijker zijn om hun lichaamstemperatuur te regelen. Op welke redenen men ook focust, de conclusie is dezelfde: klimaatverandering zal een onevenredig effect hebben op vrouwen, hoewel dit niet meegenomen wordt in het discours over klimaatrechtvaardigheid.”

Een vaak gehoorde kritiek op het ecofeminisme is dat het te veel het cliché bevestigd dat vrouwen dichter bij de natuur staan. De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen werd namelijk eeuwenlang als iets ‘natuurlijks’ verklaard en de strijd voor gelijke rechten zou er dan ook uit bestaan aan te tonen dat de verschillen tussen mannen en vrouwen niet natuurlijk zijn maar sociale constructies. Hoe sta jij daartegenover?

Kenis: “Dat gaat over een verkeerd begrip van ecofeminisme. Ecofeminisme gaat er niet om dat er een verband zou zijn tussen vrouwen en de natuur, maar wel tussen de onderdrukking van vrouwen en de uitbuiting van de natuur. Dat is iets totaal anders. Het gaat over een systeemkritiek. Als vrouwen al dichter bij de natuur zouden staan, is dat enkel omwille van hun sociaal geconstrueerde rol van voeders en verzorgers. Als je dagelijks met je handen in de aarde zit, zoals veel vrouwen in het globale Zuiden, ga je het uiteraard meer aan den lijve ondervinden wanneer die aarde droger aanvoelt dan anders. Maar ook hier in het Westen kan je beargumenteren dat de mensen die de kinderen, ouderen en zieken verzorgen – tot op heden nog steeds vooral vrouwen - makkelijker een verontwaardiging, bewustzijn en politisering rond de ziekmakende gevolgen van bijvoorbeeld luchtvervuiling ontwikkelen. Zonder enige twijfel is je verontwaardiging groter als je een ziek kind in je armen tijdens een hoestbui naar lucht ziet happen, dan wanneer je nog nooit de gevolgen van luchtvervuiling van dichtbij hebt ervaren.”