David Brody
Men who teach young children. An international perspective
Trentham Books, 2014. 159 p.

leraren / mannen / basisonderwijs / gender / ervaringen / loopbaan / internationaal

RoSa exemplaarnummer DII 3a/0310

men who teach young children bookcoverDavid Brody heeft met ‘Men who teach young children’ twee grote doelen. Ten eerste wil hij via het boek persoonlijke ervaringen delen van mannen die kozen om in vroegschoolse educatie aan de slag te gaan. Hiermee tracht het boek een hiaat in te vullen wat betreft het onderzoek naar (het beperkt aantal) mannen in het kleuteronderwijs. De auteur zocht niet naar mannen die niet voor een job als kleuteronderwijzer kozen, maar naar mannen die dat wel deden. Zij worden zelf aan het woord gelaten via interviews en via reflecties op observaties van hun lespraktijk. Centraal staan hun motivaties om kleuteronderwijzer te worden en de obstakels die ze hebben ervaren. Hiermee wil het boek houvast en herkenning bieden aan jonge mannen die eenzelfde carrièreperspectief voor ogen hebben.

Ten tweede ondersteunt het boek professionals die zich met het vraagstuk rond mannen in het onderwijs bezighouden in het beleid, schoolleiderschap, lerarenopleiding, et cetera. De centrale vraag doorheen het boek is: ‘hoe kunnen we meer jonge mannen motiveren om leraar in het kleuteronderwijs te worden?’ De nadruk wordt gelegd op de realiteit waarmee deze mannen in hun latere beroepsleven te maken krijgen. De vraagstelling die daaruit volgt: hoe kunnen we de arbeidsmarkt (en de lerarenopleidingen) ‘manvriendelijker’ maken?

Mannelijke kleuterleerkrachten aan het woord

‘Mannen en kleuteronderwijs’ is géén topic waar slechts recent over gedebatteerd wordt. Reeds in de 19de eeuw was er een debat over de eventuele effecten van een man of vrouw voor de klas. Door de eeuwen heen zijn diverse standpunten in het debat ingenomen. Gebaseerd op deze diverse standpunten zagen alternatieve actieplannen en initiatieven het licht. Ondanks deze initiatieven blijft de realiteit vandaag, verspreid over de hele wereld, dezelfde: het percentage mannen dat professioneel actief is in vroegschoolse educatie ligt beduidend lager dan het percentage vrouwen. Een leerkracht kleuteronderwijs blijft voornamelijk een jonge vrouw. Dit zien we zowel op de arbeidsmarkt als in de lerarenopleidingen. Toch is het aantal mannen, mede dankzij diverse actieplannen, in heel wat landen gestegen. In Noorwegen is er ondertussen sprake van 10% mannelijke kleuterleerkrachten. De auteur hoopt, via ondervraging en observatie van de mannen die de voorbije jaren kozen om in het kleuteronderwijs aan de slag te gaan, antwoorden en aanbevelingen te vinden voor organisaties, scholen en andere actoren die in hun school, opleiding, … meer mannen willen zien. 

Meer mannen: ja, maar waarom?

Onderzoekers en professionals actief in en rond onderwijs voor jonge kinderen zijn het er zo goed als unaniem over eens om meer mannen in die vroegschoolse educatie te krijgen. De motivaties hiervoor verschillen echter. De één denkt dat het goed is voor de identificatie van jonge jongens. Anderen denken dat meer mannelijke leerkrachten in het kleuter- of lager onderwijs zal bijdragen tot het doorbreken van stereotiepe genderidentificatie en -rollen zoals zorg (en dus ook zorgleerkracht) als iets voor meisjes. Wat de achterliggende motivatie ook is, kinderen zouden volgens alle partijen profijt halen uit meer mannelijke kleuteronderwijzers. Recente studies hebben aangetoond dat ook ouders zich steeds meer achter dit standpunt scharen en er zelf actief naar vragen. Ook dit perspectief wordt in het boek besproken. 

Meer mannen: hoe?

Wat hebben diverse initiatieven om meer mannen in het kleuteronderwijs te krijgen nu opgeleverd? Wat denken mannen actief in het veld zelf van het hele ‘mannen in onderwijs’-debat? Via interviews met vijf mannelijke kleuterleerkrachten gaat de auteur op zoek naar antwoorden op de volgende vragen: wat heeft deze mannen ge(de)motiveerd in hun keuzeproces? Welke initiatieven hebben daadwerkelijk iets opgeleverd? Welke obstakels ervaren de mannen die de opleiding of arbeidsmarkt betreden? Wat zijn minder bekende hindernissen waar we alert voor moeten zijn? En, tot slot: hoe kunnen we deze informatie kanaliseren in een initiatief waarmee we eindelijk (wereldwijd) echt meer mannen kunnen stimuleren? 

Vanuit de individuele ervaringen van de mannen in kwestie, tracht de auteur algemene aanbevelingen te doen naar beleidsmakers en stakeholders in de arbeidsmarkt en lerarenopleiding voor vroegschoolse educatie. Het boek is ook een uitstekende inspiratiebron voor (jonge) mannen die erover denken aan de slag te gaan in de zorg of het onderwijs van jonge kinderen. Zowel beleidsmakers als de actoren zelf kunnen hun gading vinden in dit boek. Verwacht van dit boek niet het meest hoogstaande wetenschappelijke onderzoek. Het persoonlijke aspect van de hoofdstukken doet het boek wel vlotter lezen dan het doorsnee wetenschappelijke werk.

Oog voor gender

Doorheen de debatten over het aantrekken van meer mannen in vroegschoolse educatie is in het boek gelukkig ook ruime aandacht voor het debat rond percepties inzake gender en de noties ‘mannelijkheid’ en ‘vrouwelijkheid’. Maatschappelijke verwachtingen met betrekking tot mannen en vrouwen spelen een cruciale rol in de studie- en beroepskeuze van zowel mannen als vrouwen. De idee dat zorg iets ‘vrouwelijks’ zou zijn, leidt tot een terughoudende houding van mannen ten opzichte van alle zorgberoepen. Hoe ouders, schoolleiders, beleidsmakers en de leraren (in opleiding) zelf kijken naar gender, genderrollen en mannelijkheid en vrouwelijkheid bepaalt mee hoe we kijken naar mannen in een zorgberoep, werkend met jonge kinderen. De discussie kan dan ook niet gevoerd worden zonder voldoende aandacht hiervoor. Het is ook hier dat het boek zijn grootste minpunt heeft: de manier waarop de auteur ‘mannelijkheid’ en ‘vrouwelijkheid’ taalkundig soms nog te hard als vaststaande tegenovergestelde fenomenen benaderd, is jammer voor de totaliteit van het boek. Zo heeft hij het op een bepaald moment over ‘men-talk’ als onderwerpen als sport aan bod komen in zijn analyse van de constructie van de eigen ‘mannelijkheid’ van de geïnterviewde leerkrachten. Hiermee geeft de auteur helaas opnieuw de connotatie mee dat sport ‘meer iets voor mannen zou zijn’. Gender zit niet enkel vervat in ideeën en concepten, maar kruipt ook heel stiekem en vaak onbewust in onze taal. En laat dat ‘talige’ net ook één van de cruciale elementen zijn waarmee we – als we het goed aanpakken – de opleidingen voor kleuterleerkacht aantrekkelijker kunnen maken voor mannen; beginnende met het stoppen van te spreken over zorgberoepen als zijnde vrouwenberoepen. 

Ondanks dat het boek dus zeker een kritische analyse vereist, kan het niet ontbreken in de boekenkast van hen die het percentage mannen in het kleuteronderwijs willen opkrikken, net omdat het boek een eerste is in zijn soort wat betreft dit onderwerp: een analyse vanuit het persoonlijke perspectief van mannen die zich doorheen de jaren in het kleuteronderwijs wisten te manifesteren, waarbij de focus ligt op de vraag ‘waarom kiezen mannen wel voor het beroep van kleuterleerkacht?’ en niet ‘waarom doen ze dat niet’.